Ondertussen is in de krachthoek het ritueel begonnen. Twee mannen lopen om de powertowers (dit woord moest ik ook even opzoeken) heen alsof ze er net overheen hebben gepist en bezig zijn hun territorium af te bakenen. Het loopje is langzaam, beheersd, ietwat wijdbeens en gaat gepaard met het frummelen aan de fitness handschoentjes. Want oh wee, als er iemand aan ‘jouw’ apparaat met de gewichten gaat klooien. Hij stond net zo lekker afgesteld. Zitje op de juiste hoogte, goed overzicht in de spiegel.
Het is dinsdagochtend, dus rustig. Op drukke tijdstippen lijkt het ritueel meer op een dans van apen op hun rots.

De man en vrouw zijn inmiddels bij hun laatste setje van de bovenarmen. Dan volgen de benen. “Je gewicht, gedeeld door twee en daar eentje onder,” de vrouw voegt een rekenvoorbeeld toe “Dus als je 70 bent, de helft is 35 en daaronder zit dus 32.” Duidelijk. Het apparaat wordt afgesteld en de man mag z’n bovenbenen aan het werk zetten. De vrouw blijft naast het apparaat staan en begint over de volgende oefening “Die heb je me wel eens zien doen, toch?”. Blijkbaar niet, want er volgt een uitgebreide demonstratie – met lenig flamingobeen, jawel – waarin kracht en souplesse elkaar ontmoeten. Althans, dat denkt ze. De man vindt het maar een vreemde beweging “Ballet. Dat doe ik niet hoor.” Maar de vrouw heeft nogal wat overtuigingskracht in haar donder en een paar tellen later staat de man klaar met dumbells in z’n handen. Zes kilo per stuk. Hij vindt het nog steeds niets. “Nou, je hoeft op mijn geen indruk te maken hoor”, zegt de vrouw. En met een prachtige beweging, waarbij de man zijn evenwicht toch even verliest, doet-ie z’n stinkende best. Want het is januari en dan doen we allemaal ons best in een sportschool.